Mag een pensioenfonds uitbesteden aan een PPI?

BeFrank
18 feb 2014

In ons vorige artikel (Pensioen & Praktijk 2013 nr. 5) adresseerden wij de vermeende onmogelijkheid voor PPI’s om uitvoering te geven aan pensioenregelingen voor DGA’s. In dit artikel zullen wij wederom ingaan op een vraagstuk van dienstverlening door PPI’s: mag een pensioenfonds uitbesteden aan een PPI?

Dit artikel is verschenen in Pensioen & Praktijk 2014 nr 1. Klik hier voor de pdf-versie van het artikel.

Een premiepensioeninstelling (PPI) is een pensioenuitvoerder gespecialiseerd in beschikbare premieregelingen. Pensioenfondsen voeren ook beschikbare premieregelingen uit, vaak in de vorm van excedent- of bijspaarregelingen. Pensioenfondsen kunnen om verschillende redenen belangstelling hebben voor de producten en/of diensten van een PPI. Er kan er belangstelling bestaan vanuit de wens tot uitbesteding van bepaalde diensten/activiteiten omdat dit tegen lagere kosten kan, of omdat de dienstverlening op een hoger niveau komt te liggen. Het is echter niet zo vanzelfsprekend dat een pensioenfonds bij een PPI kan aankloppen. De Nederlandsche Bank (DNB), prudentieel toezichthouder op zowel de pensioenfondsen als de PPI, is geen voorstander van uitbesteding door pensioenfondsen aan een PPI en zal hier in de praktijk bezwaar tegen maken bij zowel het pensioenfonds als de PPI.

Hieronder zullen wij eerst de bezwaren schetsen. Vervolgens gaan wij in op het begrip ‘uitvoering’ en op het toestaan van uitbesteding zelf. Op basis daarvan zullen wij beargumenteren dat de bezwaren naar onze mening geen stand houden.

De bezwaren
Het bezwaar van DNB ligt besloten in art. 4:71c Wft. Hierin wordt bepaald dat de PPI om een premieregeling uit te voeren een uitvoeringsovereenkomst dient te sluiten met de bijdragende onderneming, zijnde de werkgever. Aangezien een pensioenfonds geen bijdragende onderneming is, kan hier niet aan voldaan worden, aldus DNB. In het verlengde hiervan wordt tevens wel gesteld dat een pensioenuitvoerder (pensioenfonds) niet kan uitbesteden aan een andere pensioenuitvoerder (PPI) en wordt art. 3:36 Wft ingezet. Dat artikel  bepaalt dat geen ander bedrijf dan dat waar de vergunning voor is verleend, wordt uitgeoefend.

Wat is ‘uitvoering’?
Uitvoering omvat de taken en activiteiten gericht op het ten uitvoer brengen van een pensioenregeling. Zo omvat dit de administratieve uitvoering, de communicatie, het financieel beheer, het beleggingsbeleid en het risicomanagement. De taken en activiteiten zijn elk voor zich uitvoerig gereguleerd middels voorschriften in de Pensioenwet en Wft.

Is uitbesteding toegestaan?
Uitbesteding van werkzaamheden is op grond van artikel 34 PW in beginsel toegestaan en gebeurt in de praktijk ook op grote schaal. Met uitbesteding wordt getracht een kwalitatief- of kostenvoordeel te behalen. Voorbeelden zijn de uitbesteding van het vermogensbeheer en het laten uitvoeren van de pensioenadministratie door zelfstandige uitvoeringsorganisaties of derden.

Het Besluit uitvoering Pensioenwet definieert enkele typen werkzaamheden die niet uitbesteed mogen worden door het pensioenfonds. Dit zijn kort gezegd de dagelijkse beleidsbepaling en werkzaamheden waarvan uitbesteding:

  • de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen kan ondermijnen;
  • het toezicht kan belemmeren.

Overige activiteiten kunnen naar wens worden uitbesteed, waarbij de uitbestedende partij daar te allen tijde verantwoordelijk voor blijft. De uitbestedende partij blijft ook gewoon de pensioenuitvoerder. Het Besluit uitvoering Pensioenwet eist verder dat er een uitbestedingsovereenkomst tussen partijen wordt opgesteld en geeft enkele voorschriften voor de inhoud daarvan. Het pensioenfonds dient zorg te dragen voor een systematische risicoanalyse in verband met de uitbesteding. Tot slot dient het te beschikken over beleid, procedures, deskundigheid en informatie in verband met de uitbestede werkzaamheden. Uitbesteding is dus toegestaan, veel voorkomend en met vele waarborgen omgeven.

Wie is de pensioenuitvoerder?
DNB wijst in de praktijk zoals gezegd op artikel 4:71c Wft. Op grond hiervan stelt DNB dat het pensioenfonds niet kan contracteren met een PPI, aangezien het om een premieregeling uit te voeren noodzakelijk is dat er een uitvoeringsovereenkomst tot stand komt tussen de PPI en een werkgever. Bij de uitbesteding door het pensioenfonds komt een uitbestedingsovereenkomst tot stand tussen het pensioenfonds en de PPI, en uiteraard geen uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de PPI.

Naar onze mening bepaalt art. 4:71c Wft echter dat er een uitvoeringsovereenkomst tussen werkgever en PPI moet zijn wanneer de PPI zelf uitvoerder wordt van de pensioenregeling. En dat is nu juist niet het geval bij uitbesteding zoals we hierboven gezien hebben. Het pensioenfonds is en blijft de pensioenuitvoerder, waarbij de PPI slechts middels een uitbestedingsrelatie de deeluitvoering op zich neemt. Deze deeluitvoering wordt derhalve niet verhinderd door art. 4:71c Wft.

Is stapeling van uitvoerders en het verbod op nevenbedrijf bezwaarlijk?
Als bezwaar wordt ook wel aangevoerd dat ‘stapeling van uitvoerders’ onwenselijk is en dat de uitbesteding aan een andere pensioenuitvoerder tot verboden nevenwerkzaamheden leidt op grond van art. 3:36 Wft. In de parlementaire geschiedenis van de PPI wetgeving komt dit meermaals aan de orde bij vragen aan de regering. Daar wordt gevraagd waarom pensioenfondsen hun beleggingen niet zouden onderbrengen bij een PPI en of de PPI zich bijvoorbeeld als pensioenuitvoeringsbedrijf uitsluitend kan richten op vermogensbeheer voor andere pensioenuitvoerders. In de antwoorden geeft de regering aan dat de PPI niet louter als vermogensbeheerder kan optreden en dat het verbod op nevenbedrijf de PPI in de weg staat vermogensbeheerdiensten aan te bieden buiten de bij haar ondergebrachte premieregelingen. Het gaat dus voortdurend over alleen de dienst vermogensbeheer en dan ook nog in de zin van louter en alleen.

In de praktijk is vermogensbeheer geen afzonderlijke dienst van een PPI, maar veeleer een dienst van daarin gespecialiseerde partijen zoals banken en asset managers. Vermogensbeheer gekoppeld aan het voeren van een beleggingsadministratie, eventueel de pensioenadministratie en de bijbehorende communicatie, is echter een specialiteit van PPI’s. Het gaat dus bij uitbesteding nooit om louter en alleen vermogensbeheer, zonder dat dat sterk gerelateerd is aan meer uitvoeringsaspecten ten behoeve van de uitvoering van een beschikbare premieregeling.

Bovenstaande verklaart tevens waarom art. 3.36 Wft (verbod nevenbedrijf) uitbesteding niet in de weg staat. Het verbod op het uitoefenen van een nevenbedrijf ziet op het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten die op zichzelf beschouwd niet of nauwelijks gerelateerd zijn, of geen onderdeel uitmaken van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend. In de onderhavige situatie is sprake van uitbestede activiteiten die juist het wezen zijn van een PPI. Daar komt bij dat in de praktijk ook uitbesteding van pensioenfondsen aan andere pensioenfondsen voorkomt en toegestaan wordt. Dit is dan nog problematisch in het licht van de domeinafbakening, hetgeen bij PPI’s geen rol speelt.

Conclusie
Wij stellen vast dat in de praktijk pensioenfondsen interesse tonen in de in premieregelingen gespecialiseerde dienstverlening van PPI’s. Er worden echter bezwaren tegen opgeworpen die naar onze mening geen stand houden. De wet en de parlementaire behandeling laten voldoende ruimte  voor uitbesteding door pensioenfondsen van pensioenuitvoeringstaken aan PPI’s. Het vasthouden aan bezwaren leidt tot het onnodig beperken van het potentieel van PPI’s en tot onnodig en onwenselijk onderscheid met andere pensioenuitvoerders. Pensioenfondsen worden mogelijk onnodig beperkt in het optimaliseren van de dienstverlening. Wij gaan ook hierover graag de constructieve discussie aan met de toezichthouder en andere stakeholders over de wetstoepassing.

Hans van Meerten
Advocaat bij Clifford Chance LLP    

Oscar van Zadelhoff
Product Manager BeFrank