Hoe vergelijk je Lifecycles?

BeFrank
5 jun 2013

Onderstaand artikel is op 18 mei 2013 in het blad VVP verschenen.

Door: Marcus Haveman.
Marcus Haveman is actuarieel adviseur bij Delta Lloyd. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Bekijk hier de opgemaakte versie van het artikel.

Hoge kosten, lage pensioenen, veel risico en ieder voor zich. Dat was het dominante beeld van het Defined Contribution-concept. Maar er is iets veranderd in het DC-product. Kosten dalen en lifecycles verkleinen het beleggingsrisico. Nuttige kennis voor de pensioenadviseur die zijn klant graag vertelt hoe het écht zit met de beschikbare-premieregeling.

Bij herziening van de pensioenregeling overwegen werkgevers steeds vaker over te stappen naar een DC-regeling. Dit onder meer vanwege IFRS-issues, individualisering, het steeds explicieter worden van de prijs van de afgegeven garanties en omdat solidariteit steeds moeilijker is op te brengen. Tegelijk heeft de DC-markt zich enorm ontwikkeld de laatste tien jaar. De kosten zijn minstens gelijkwaardig aan DB en de lifecycle-beleggingsstrategie minimaliseert de beleggingsrisico’s daar waar mogelijk.

Bij DC is de precieze hoogte van het pensioen pas bekend op pensioendatum. De deelnemer komt daarbij voor risico’s te staan die hij bij Defined Benefit niet dacht te hebben. Hierbij is het zaak voor de pensioenadviseur om een goed advies neer te leggen. Dit vereist met name een goede beoordeling van lifecycles en bijbehorende beleggingen die verder gaat dan een vergelijk tussen de beleggingskosten, om tegenvallers achteraf te voorkomen. Net als de overige onderdelen van het pensioenproduct.

Rendement is essentieel

Allereerst: pensioenopbouw is een zaak van lange adem. Tijdens zijn werkzame leven moet de deelnemer een pensioen opbouwen om zo’n 20 jaar van te kunnen leven. Gaat hij dit op eigen houtje bij elkaar sparen zonder te beleggen, dan moet hij 40 jaar lang een derde van zijn salaris apart zetten om na pensioendatum 20 jaar lang twee derde van zijn inkomen aan pensioen te kunnen krijgen. En dan zal blijken dat inflatie de koopkracht flink heeft aangetast. Met die oude sok gaat-ie het dus niet redden, hoe vroeg hij ook begint.

Rendement maken is voor een goed pensioen essentieel. Aandelen leveren historisch gezien een substantieel hoger rendement dan obligaties; na inflatie is hun rendement drie keer zo hoog. Pensioenfondsen hebben onderzocht dat historisch gemiddeld elke euro pensioeninleg tot vier euro pensioenuitkering heeft geleid – doordat ze belegden. Zonder te beleggen in aandelen moeten pensioenpremies tientallen procenten omhoog om indexatie mogelijk te maken. Daarom: pensioen en beleggen horen bij elkaar.

Lifecycles vergelijken
Bij beleggen zijn zowel meevallers als tegenvallers te verwachten. Een goede adviseur neemt dit mee in zijn advies. De keuze voor een DC-product noodzaakt tot een inhoudelijke analyse tussen de lifecycles van de verschillende pensioenaanbieders. Bij een goede lifecycle is het beleggings- en renterisico gespreid met het oog op een optimaal pensioen. Hoe vergelijk je lifecycles? En hoe adviseer je hierover?

De volgende onderdelen helpen je op weg. Deze systematiek biedt meer dan alleen een vergelijk op beleggingskosten wat nu nog vaak de praktijk is. Hij omvat zowel kwantitatieve als kwalitatieve analyses waarmee de pensioenadviseur de diverse lifecycles kan ranken op een wijze die aansluit bij het gezonde verstand. Nuttige input om de klant de principes van lifecycles uit te leggen en tegelijk je toegevoegde waarde aan te tonen.

Samenstelling van lifecycles

  • Aantal lifecycles – Heeft de deelnemer wat te kiezen of is er maar één lifecycle? Ervan uitgaande dat deelnemers meerdere risicoprofielen kennen, is één lifecycle onvoldoende;
  • Onderzoek de default lifecycle – De default lifecycle is de neutrale of defensieve lifecycle; daar waar de meeste deelnemers zitten. Ervan uitgaande dat de meeste deelnemers neutraal zijn, zou de neutrale lifecycle de meest logische default zijn;
  • Beleggingsrisico jongere jaren – In de jonge jaren neemt men meer beleggingsrisico. Dit mag niet te veel zijn, maar ook niet te weinig om de pensioendoelstelling te kunnen behalen. Stel hier als adviseur grenzen aan om lifecycles te kunnen ranken. Voor de default lifecycle zou het beleggingsrisico bijvoorbeeld minstens 55% en maximaal 75% kunnen zijn. Minder kan het verwachte jaarlijks rendement met 1% verminderen, wat ten koste gaat van de pensioenopbouw; meer kan bij negatieve scenario’s het pensioen substantieel verlagen;
  • Startmoment afbouwfase – Te vroeg beginnen met beleggingsrisico afbouwen (20 jaar vóór pensioendatum) geeft te weinig kans op een goed pensioen en te laat afbouwen (10 jaar voor pensioendatum) geeft een teveel aan risico;
  • Aantal stappen in afbouwfase – Wanneer in de afbouwfase jaarlijks het beleggingsrisico stapsgewijs wordt afgebouwd, dan worden de aandelen verkocht tegen de gemiddelde koers van deze periode. Breng je het aantal stappen terug (bijvoorbeeld 4 stappen van elk 15%), kun je een grote verkoop doen als de koers toevallig laag is. Dit kan, blijkt uit historische analyse, 5% pensioen kosten;
  • Beleggingsrisico oudere jaren – Wanneer in het jaar voor pensionering nog meer dan 10% wordt belegd, kan een koersdaling van 25% bijna 3% pensioen kosten. Wanneer het beleggingsrisico al op een jongere leeftijd volledig is afgebouwd, mist de deelnemers beleggingsrendement.

Kwaliteit van onderliggende beleggingen ten opzichte van de doelstelling

  • Spreiding in assetcategorieën – Alle beleggingen in één mandje geeft een te groot beleggingsrisico. Spreiden voorkomt dit. Zo zou wereldwijde aandelenspreiding in aandelen een norm kunnen zijn. Ook het opnemen van meerdere assetcategorieën – aandelen en obligaties, opkomende landen, high yield-obligaties, grondstoffen, inflatieproducten – kan risico’s uitsmeren. Maar meer is niet altijd beter. Grondstoffen bieden de laatste tien jaar wat spreiding betreft geen toegevoegde waarde. En inflatieproducten dekken wel het inflatierisico af, maar dit levert jaarlijks 0,3% tot 0,5% minder rendement op; voor jonge leeftijden heeft dit zeker een negatieve impact op pensioen;
  • Gekozen benchmark per assetcategorie – Een benchmark geeft aan hoe de beleggingen gespreid worden. Analyse leert dat pensioenuitvoerders voor iedere assetcategorie (op aandelen na) verschillende benchmark hanteren. Dit geeft soms procenten verschil in resultaat, ook bij indexfondsen. Wil je achteraf niet voor verrassingen komen te staan, zul je hier naar moeten kijken. Een voorbeeld is staatsobligaties. Sommige pensioenuitvoerders beleggen alleen in Nederland, anderen alleen in Triple A-landen van Europa of buiten Europa met afdekking van het valutarisico. Elk met een wezenlijk verschil in rendement en risico, waarbij de laatste variant gezien de huidige politieke situatie zeker voordelen kent. Aan te raden is om dit bij pensioenuitvoerders concreet uit te vragen om de verschillen duidelijk te krijgen;
  • Renterisico op pensioendatum – 1% verschil in interest geeft al snel een verschil in pensioenresultaat van 12%. Om op 64-jarige leeftijd het pensioen veilig te stellen, zullen hier op pensioendatum langlopende obligaties tegenover moeten staan die eveneens 12% in waarde veranderen als de rente 1% stijgt. Oftewel, de duration van de obligaties moet 12 zijn. Een sterk afwijkende duration geeft rente- en dus ook pensioenrisico voor de deelnemer en doet dus af aan de kwaliteit van de lifecycle. Gegevens over duration zijn op te vragen bij de pensioenuitvoerder.

Prestaties van onderliggende fondsen

  • Track-record – Wat is het drie- en vijfjaars rendement ten opzichte van de benchmark van het fonds? Bij een indexfonds moet met name naar de afwijking van de benchmark gekeken worden, bij actieve fondsen naar de mogelijke out-performance;
  • Kosten – Beleggen kost geld, ook bij indexbeleggen. Te hoge kosten eten het pensioenresultaat op. Waar twee jaar terug de TER nog circa 1% was, is nu alleen een TER van 0,5 à 0,6% nog acceptabel;
  • Kwalitatieve aspecten – Is er een gedegen beleggingsproces? Worden de fondsen beheerd door een historisch gezien betrouwbare partij met goede reputatie? Belangrijke aspecten om mee te nemen in het advies. Hiervoor zou Morningstar met zijn rating gebruikt kunnen worden.

Door lifecycles op deze punten met elkaar te vergelijken en per onderdeel van een score te voorzien, biedt je de klant inzicht in zijn beleggingsmogelijkheden. De informatie is beschikbaar in de offerte of opvraagbaar bij de pensioenuitvoerder. Kwantitatieve (ALM-)studies kunnen ook bijdragen, maar de uitkomsten worden hier vaak bepaald door de gehanteerde uitgangspunten. De in de DC-markt gehanteerde modellen lijken erg op de door de pensioenfondsen gehanteerde modellen van vóór de crisis, waarin risico’s werden onderschat. Cijfers kunnen zeker helpen bij de analyse van lifecycles, maar geven op zich niet voldoende inzicht in de risico’s. Het gezonde verstand van de adviseur weegt minstens zo zwaar.