De PPI: revolutie in de Nederlandse pensioenmarkt!

BeFrank
14 mei 2014

Onderstaand artikel is geschreven door Mr. dr. H. van Meerten en mr.drs. P. Borsjé. Beiden advocaat bij Clifford Chance te Amsterdam

Het zijn turbulente en verwarrende tijden voor het Nederlandse pensioenstelsel. Zo dreigt er een generatieconflict: jongere deelnemers zijn in forse aanvaring met oudere deelnemers over de verdeling van de pensioengelden. Bovendien kennen pensioenfondsen de nodige tekorten, worden er allerlei omstreden (pensioen)akkoorden gesloten en last but not least is er ook nog de komst van een nieuwe pensioenuitvoerder: de zogeheten Premie Pensioen Instelling (PPI). Deze laatste ontwikkeling heeft nog onvoldoende aandacht gehad. Dat zal weldra hoogstwaarschijnlijk gaan veranderen. Want de PPI wint als nieuwe pensioenuitvoerder aan populariteit en biedt een oplossing voor veel problemen. Hoe komt dat en wat is de PPI?

Tot voor kort konden slechts verzekeraars en pensioenfondsen zich toeleggen op het verzorgen van zogeheten “tweede pijler” pensioenregelingen, dat zijn regelingen die uit een arbeidsverhouding voortvloeien. Indien een werkgever een pensioen toezegt aan zijn werknemers, dan dient de werkgever deze onder te brengen bij een pensioenuitvoerder. Sinds 2011 kan dat ook bij een PPI. Echter, dan moet de regeling a) niet verplicht zijn ondergebracht bij een bedrijfstakpensioenfonds en b) moet het gaan om een regeling zonder harde garanties, dat wil zeggen dat het moet gaan om een, internationaal ook wel, een defined contribution (DC)-regeling genoemd.

In Nederland was men veelal van mening dat DC-regelingen inferieur zijn aan wat in het Nederlandse pensioenstelsel tot voor kort gebruikelijk was: regelingen mét een harde garantie, internationaal ook wel defined benefit (DB)-regelingen genoemd. Inmiddels is het besef doorgedrongen dat regelingen met harde garanties in feite niet bestaan doordat deze in de praktijk onbetaalbaar blijken te zijn. Naar onze mening zullen daarom in de nabije toekomst in Nederland DC-regelingen de boventoon gaan voeren. In Engeland, dat reeds lang een “DB”-stelsel kent, kan bijvoorbeeld een zelfde ontwikkeling worden waargenomen.

Nu kan de vraag gesteld worden of de traditionele pensioenfondsen de geschikte uitvoerders voor DC-regelingen zijn. Dat lijkt niet het geval. Pensioenfondsen zijn opgetuigd om DB-regelingen uit te voeren, hetgeen onder andere tot uiting komt in de bestuurssamenstelling (waarbij de sociale partners meebesturen) en het financiële toezicht op de fondsen.
De PPI heeft er alle schijn van een uitstekend alternatief te zijn om DC-regelingen uit te voeren. De PPI kan transparant en voor de individuele pensioendeelnemer op maat gesneden pensioenregelingen uitvoeren. De deelnemer heeft hiermee inzicht in zijn of haar pensioenopbouw, heeft individuele pensioenrechten en kan eventueel zelf invloed uit oefenen op het beleggingsbeleid. Uit de nieuwe pensioenplannen van het kabinet lijkt te mogen worden opgemaakt dat ook de verplicht bij een pensioenfonds ondergebrachte pensioenregelingen voor inkomens van boven de 100.000 euro door de PPI kunnen worden uitgevoerd. Bovendien heeft het Hof van de EU zeer recent bevestigd dat DC-pensioenentiteiten zoals de PPI aanspraak maken op een BTW vrijstelling voor vermogensbeheerdiensten en aanverwante administratieve dienstverlening, terwijl DB-pensioenentiteiten volgens het Hof van de EU daar in beginsel niet voor in aanmerking komen. Deze ontwikkelingen zullen de aantrekkelijkheid van de PPI ten opzichte van de gevestigde pensioenfondsen verder versterken. Verder is de PPI op vrijwel alle gebieden in overeenstemming met EU wetgeving.

Met de komst van de PPI is in de Nederlandse markt voor arbeidsgerelateerde pensioenregelingen een ware concurrentieslag ontstaan tussen verschillende verzekeraars en vermogensbeheerders die via een PPI een pensioenoplossing aanbieden. Dat is een goede zaak. De toegenomen marktwerking heeft reeds tot meer efficiëntie in de pensioenuitvoeringsorganisatie en in fors lagere uitvoeringskosten geresulteerd voor de pensioendeelnemer. Bovendien krijgt ook de Nederlandse pensioenuitvoerdersmarkt hierdoor een nieuwe impuls waarbij de PPI ook kansen biedt in de zich ontwikkelende internationale pensioenmarkt. Want ook voor buitenlandse DC-regelingen kan de PPI heel goed als uitvoerder optreden. Die ontwikkeling –met de Nederlandse pensioen know-how als exportproduct– zal zich naar verwachting gaan voordoen nadat de eerste nationale PPI’s goed zijn warmgedraaid.

Er is in bepaalde kringen nog veel kritiek op de PPI. Dat betreft echter voornamelijk (overigens vaak onterechte) kritiek op de DC-regeling zelf. Echter, de PPI als pensioenuitvoerder en de DC-pensioenregeling moeten vooral niet met elkaar vereenzelvigd worden. Indien het zo is dat de sociale partners in toenemende mate naar DC-regelingen willen (of moeten) overschakelen, kan men zich beter aanpassen aan deze nieuwe realiteit.
In plaats van het soms bepleitte nationaliseren van onze pensioenfondsen, zouden wij een ontwikkeling naar meer kostenefficiëntie door marktwerking voorstaan, waarin pensioenuitvoerders met bijvoorbeeld een PPI een nieuwe rol kunnen vervullen. Ons inziens liggen daar juist ook kansen voor de traditionele pensioenfondsen. Een win-win situatie. De PPI lijkt niets minder dan een revolutie in pensioenland teweeg te brengen. We gaan er nog veel van horen.